Aan mij ligt het niet!

Laatst sprak ik een schaatser die vertelde dat het het hele seizoen nog niet lekker loopt. Toen ik ‘m vroeg hoe dat komt vertelde hij dat de oorzaak is dat z’n trainer geen vertrouwen in hem heeft. ‘Hoezo dan’, vroeg ik, ‘wat heeft het vertouwen van de trainer te maken met jou prestaties?’ ‘Nou gewoon’, antwoordde de schaatser, ‘als ik geen vertrouwen krijg van een trainer dan schaats ik gewoon veel minder, ik heb dat nodig’.

Wij gaan als mens van nature op zoek naar verklaringen voor wat wij meemaken. Zo ook deze schaatser: het loopt niet en hij gaat bedenken hoe dat komt. Het grappige is dat we falen vaak toeschrijven aan de omstandigheden of de fouten van anderen, terwijl we succes toeschrijven aan onze eigen talenten en capaciteiten. Dit noemen we in vakjargon externe attributie (oorzaak buiten jezelf) of interne attributie (oorzaak binnen jezelf). Zo geven we soms de scheidrechter de schuld, het slechte veld, het weer, onze medespelers, het lot, geluk, de journalisten. Kortom er zijn een boel oorzaken aan te wijzen waar we met de vinger naar kunnen wijzen. De schaatser zocht de oorzaak bij zijn trainer.

Een ander onderscheid in de attributiebenadering (attributie= toeschrijven aan) is in hoeverre de oorzaak stabiel is of niet. Een stabiele attributie betekent dat de oorzaak als blijvend wordt gezien. Arjen Robben zou tegen zichzelf kunnen zeggen: ‘ik ben nou eenmaal enorm blessuregevoelig’. Een instabiele attributie wijst er echter op dat de oorzaak als tijdelijk of veranderlijk wordt gezien. In dat geval zal Robben eerder tegen zichzelf zeggen: ‘balen dat ik geblesseerd ben, deze blessure is botte pech’.

Een derde dimensie betreft de controleerbaarheid. In hoeverre denk je vat te hebben op de oorzaak. Zo kan je een blessure toeschrijven aan een slechte warming-up (controleerbaar) of aan het feit dat de competitie bikkelhard is geworden (oncontroleerbaar).

Om het te verduidelijken zetten we nog wat  uitspraken van sporters op een rij. Waar schrijven de sporters hun succes/falen aan toe? Let op, het gaat om de oorzaak-gevolg relaties die ze zelf leggen, niet om of dat dan ook de waarheid is. Het gaat om hoe ze het ervaren.

Intern stabiel controleerbaar: ‘er is ruimte voor verbetering van mijn prestaties. Ik ben geen trainingsbeest, maar wil dat wel worden’. Intern stabiel oncontroleerbaar: ‘die rekstokoefening ga ik nooit leren, ik ben nou eenmaal een schijterd en zal dat altijd blijven’. Intern instabiel controleerbaar; ‘ik heb afgelopen week niet de juiste voeding voor een wedstrijd gegeten, hierdoor had ik meer last van mijn maag tijdens de wedstrijd’. Intern instabiel oncontroleerbaar; ‘het zat er niet in vandaag, vorm is bij mij zoiets ongrijpbaars, soms is ie erin eens’. Extern stabiel controleerbaar; ‘ik maak geen progressie omdat ik bij deze club niet veel meer kan leren. Volgend seizoen ga ik naar een andere club’. Extern stabiel oncontroleerbaar; ‘de trainer moet mij altijd hebben, het is een rotvent’. Extern instabiel controleerbaar; ‘het trainingsveld is vandaag bevroren, geen wonder dat we slecht trainden, we hadden naar binnen moeten gaan’. Extern instabiel oncontroleerbaar; ‘de tegenstander speelde vandaag een hele slechte wedstrijd, geen wonder dat we wonnen’.

Topsporters blijken meer dan de gemiddelde Nederlander interne stabiele en controleerbare attributies te maken bij succes. Bij falen maken ze eerder interne, instabiele en controleerbare attributies. Kortom ze zoeken vaak naar oorzaken binnen zichzelf en waar ze controle op hebben. Ze vragen zich af: ‘wat kan ik er zelf aan doen, welke vat heb ik op deze situatie’. Dan komt waarschijnlijk ook omdat deze sporter heeft geleerd dat excuses niet meetellen in de topsport.

Deze instelling voorkomt dat sporters in een staat van ‘aangeleerde hulpeloosheid’ komen. Oftewel, ik kan er niets aan doen, het is niet mijn schuld’. Het is niet zo dat ze nooit de neiging hebben om te zeggen: ‘aan mij ligt het niet’, maar ze hebben goede strategieën om uit de  ‘aangeleerde hulpeloosheid spiraal’ te komen. Ze hebben vat op hun attributiepatronen als ze falen en kunnen aanpassingen maken als het nodig is.

De schaatser waar het artikel mee begon is dus niet zo handig bezig. Ten eerste zoekt hij de oorzaak van zijn falen buiten zichzelf en ten tweede heeft hij het gevoel er geen controle op te hebben. Veel beter kan hij zich focussen op wat hij zelf kan verbeteren in deze situatie. Dat geeft een gevoel van controle en als je gevoel van controle hebt dan ontstaat daaruit ook weer zelfvertrouwen. De schaatser is minder geneigd om de volle verantwoording voor zijn eigen gedrag en prestatie te nemen. Hij heeft veel schouderklopjes nodig en zijn waarneming is individueel gekleurd en niet zo realistisch.

Terwijl je van een topsporter eigenlijk zou verwachten dat hij persoonlijke verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedrag en prestatie neemt. Een sterke zelfsturing en zelfregulatie heeft en een objectieve en realistische evaluatie kan maken van zijn prestaties.

Als sporter wil je dus toe naar meer interne controleerbare attributies. Vragen die je daarbij kunnen helpen zijn: ‘wat kun je hiervan leren? Was er iets wat je beter had kunnen doen?’ Wat je daarmee eigenlijk aan jezelf vraagt is ‘Wie of wat bepaald de kwaliteit van jouw prestatie? Ben jij dat zelf of zijn dat de sterren? Jijzelf of de scheidsrechter? Jijzelf of de trainer? Jijzelf of de toeschouwers? Jijzelf of je tegenstander? Wie bepaalt de kwaliteit van jouw leven?’

Denk daar eens aan als je de komende tijd de neiging hebt om de oorzaken van prestaties buiten jezelf te leggen en met je wijsvinger naar iets of iemand te wijzen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>