Volkskrant

Wielrennertje spelen

Bert Wagendorp
Volkskrant, april 2008

Nieuwe ketting, alles scherp afgesteld; de lente is begonnen. Bonte groepjes mannen – vooral mannen, het worden er steeds meer – waaien over de wegen en luisteren naar het zingen van de bandjes….

Er ploft iets zwaars in de brievenbus. Het is een boek. Een fraai gebonden, rijk geïllustreerd prachtboek van Pieter Cramer en Huug Schipper. Het heet ‘De Nederlandse Toppen top-40, de steilste klimtrajecten op vaderlandse bodem voor fietsfanaten en wielerhelden, in kaart gebracht met schema’s, routes, historische achtergronden en beschouwingen.’

De duidelijkste titel sinds Het grote kamerplantenboek. En een boek dat tien jaar geleden nog als krankzinnig van de hand zou zijn gewezen. Maar nu niet meer.

Op nummer 35 staat weliswaar de Van Brienenoordbrug, maar hé, dit is Nederland. Vlak land van steeds meer fietsfanaten en gedroomde wielerhelden, en die snakken naar iets dat officieel te boek staat als een klimmetje. Een top-40-klimmetje. Want pas in de klim, zo is algemeen bekend, wordt fietsen wielrennen.

En dat is wat wij willen: wielrennen. Wij willen coureur zijn, althans steeds meer mensen willen dat, ook op hogere leeftijd, vooral op hogere leeftijd, eigenlijk. Op één staat de Keutenberg, en ik geef het je te doen, de Keutenberg. Die doet pijn aan je poten.

De fiets. Hij staat bij mij in de gang; een blauwe Pinarello Angliru. Net nieuwe bandjes, nieuwe ketting, alles scherp afgesteld; de lente is begonnen en aan de kim komt de zomer aangereden.

Gelijk ’n oud tuig dat niet meer dienen zou,                                                          Doorheen ’t getij van winterkou,                                                                                    Had ik m’n hoop, m’n fiets geborgen,                                                                   Verbeiend d’eerste Lentemorgen.

Geen mooier geluid dan het zingen van de bandjes op zwart asfalt, in de lente, als de lucht warm wordt en je het zachte rugwindje bijna zomerbries mag noemen; als de wereld zich heeft verkleind tot het achterwiel voor je – het is stil, ieder zwijgt onder zijn helm, de teller wijst 33 aan, je benen zijn gewichtloos, je denkt: mogelijk is dit wat ze onder geluk verstaan.

Ik sta boven op de Keutenberg en voel iets dat ik nooit eerder heb ervaren: ik bewonder mezelf. Ik vind mezelf echt een geweldige kerel. Dat heb je toch maar mooi, met de racefiets.

Volgens de laatste Rapportage Sport van het Sociaal- en Cultureel Planbureau, uit 2005, beschikte 11 procent van de Nederlanders over een racefiets, 16 procent van de mannen en 5 procent van de vrouwen. De fietsenbranche houdt de verkoop van racefietsen niet afzonderlijk bij, maar het kan niet anders, of het percentage bezitters is de afgelopen jaren gestegen. Dat is tenminste de stellige indruk van fietsenwinkeliers, organisatoren van toertochten, de Nederlandse Toerfiets Unie, de brancheorganisaties, fabrikanten en importeurs.

En pak anders op een zondagochtend de fiets maar eens, dan zie je ze. Bonte groepen mannen – meestal mannen – waaien over de wegen. Ze komen je tegemoet of halen je in. Ze schreeuwen ‘tégen!’ of ‘pasterop!’; ze bellen niet, want een bel op je racefiets is niet cool – gaat Joost Posthuma morgen in Parijs-Roubaix soms bellend door het Bos van Wallers?

Wat je ziet, zegt Koen Breedveld, zijn wat in de sociologie ‘lichte gemeenschappen’ worden genoemd, mensen die zich op basis van een gedeelde interesse in een groep verenigen, in een los verband zonder formele binding en al te sterke verplichtingen. Breedveld is vrijetijdswetenschapper en adjunct-directeur van het W.J.H. Mulier Instituut voor sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek.

Groepjes hardlopers of wielrenners zijn, zegt Breedveld, voorbeelden van de moderne manier van clubvorming, nu familie, vereniging, kerk, straat, buurt of andere oude verbanden hun kracht hebben verloren. ‘Vaak zie je ze op zondagochtend. Dat zal geen toeval zijn. Ze vieren iets. En net als in het geloof, hoef je alleen maar te zeggen: ‘Ik geloof’, en je hoort erbij.’

‘Lichte gemeenschappen’: Steven Rooks noemt het gewoon pelotonnetjes. In het profpeloton vergaarde Rooks faam en kapitaal, als winnaar van onder meer Luik-Bastenaken-Luik. Hij werd tweede in de Tour de France. Tegenwoordig organiseert hij toertochten en fietsclinics en begeleidt hij bedrijven die hun werknemers trainingsprogramma’s op de fiets aanbieden. Hij heeft het razend druk.

Rooks is in de Ardennen, waar hij de laatste hand legt aan het parkoers van de Steven Rooks Classic, zijn eigen zware toertocht, die de deelnemers op Hemelvaartsdag onder meer over de Redoute zal voeren. Het is de vijfde editie, en als het weer een beetje meezit, verwacht Rooks vierduizend fietsers, duizend meer dan vorig jaar.

De populaire tochten, zoals de toerversie van de Amstel Gold Race, hebben een maximum van vijftienduizend deelnemers, en zijn tegenwoordig binnen enkele dagen volgeboekt. In totaal worden in Nederland jaarlijks vierduizend toertochten georganiseerd.

Bij het laatste grote bevolkingsonderzoek van het SCP, uit 2003, gaf bijna een kwart van de mannen tussen 6-79 jaar aan te wielrennen of toerfietsen, alleen zwemmen was populairder. De stijgende verkopen van (dure) fietsen zouden erop kunnen wijzen dat het percentage nog stijgt.

De vereniging Le Champion  hield in 1981 voor een mannetje of honderd de eerste Luik-Bastenaken-Luik. Nu zijn er vijfduizend deelnemers, meer mag niet.

‘Natuurlijk kun je onze Ronde van Noord-Holland ook in je eentje rijden, op een doordeweekse dag’, zegt directeur Kees Landsbergen. ‘Maar het is leuker om het samen te doen. Mensen willen het gevoel delen.’ Op 26 april verwacht hij tussen de zes-en zevenduizend deelnemers, een record.

Ongeveer de helft van de vijfduizend deelnemers aan de zwaarste cyclosportive ter wereld, La Marmotte (176 kilometer in juli, over Croix-de-Fer, Télégraphe, Galibier en eindigend op Alpe d’Huez) bestaat elk jaar uit Nederlanders, van wie een meerderheid 40+ is.

Waarom martelen die mannen zichzelf zo?

Misschien heeft het iets te maken met de zoektocht naar de bron van de eeuwige jeugd. ‘Niemand wil meer oud zijn’, zegt bewegingswetenschapper en sportpsycholoog Edith Rozendaal. ‘Met de racefiets verleng je de jeugd. Mensen van vijftig waren vroeger oud, tegenwoordig kopen ze een racefiets en willen ze ook nog steeds beter worden.’ Ze bezoeken daartoe zelfs sportpsychologen en volgen strenge trainingsprogramma’s en diëten.

‘Het is echt gigantisch’, zegt Rooks. ‘Steeds meer mensen willen bewegen, en steeds meer mensen kiezen voor de fiets.’ Dat wil zeggen: jonge mensen kiezen voor de mountainbike of de ATB, de sportievelingen in het oudere segment kopen een racefiets. In 2005 was het racefietsbezit het hoogst onder mensen in de leeftijdsgroep 35-49 (14 procent), in de groep 50-64 had 12 procent een racefiets.

Je ziet het bij de toertochten: veel grijze tinten boven de kleurige shirts. De gemiddelde leeftijd van de 5.200 leden van de NTFU is 49 jaar. Anders dan hardlopen, is fietsen een sport zonder blessures – afgezien van valpartijen. De al wat oudere kwetsbare knie houdt het op de fiets langer vol dan lopend.

En er komen steeds méér 45-plussers die fit willen blijven.

‘We hebben klanten van in de tachtig’, zegt René Borsjes van Kroone Liefting in Limmen, in 2007 uitgeroepen tot tweewielerzaak van het jaar. ‘Die komen hier even een nieuwe racefiets kopen. Bij voorkeur een strakke Italiaan in een vlot kleurtje.’

Maarten Ducrot, wielerverslaggever, psycholoog en een recreatieve fietsers met een Touretappe op zak, is net vijftig geworden. Tien jaar geleden dacht hij dat hij er rond die leeftijd wel zo’n beetje klaar mee zou zijn, dat hij zou afstappen en dat de meer beschouwende leefwijze zijn intrede zou doen. Het tegendeel is het geval.

In het wiel! Met de kameraden!

‘Die schitterende hi-tech’, zegt Ducrot. ‘En dan toch helemaal op eigen kracht.’ Is dat het, wat de mannen boeit? ‘Natuurlijk is er ook de identificatie met de topcoureurs’, zegt Ducrot. ‘Ook bij die oude mannen. Het is naspelen wat je op televisie ziet. Gewone mannen veranderen in coureurs.’

En wielrennen, dat is een beetje anarchie, een beetje rock-’n-roll, een beetje gevaarlijk en een beetje lak aan de wereld – op z’n minst de illusie van vrijheid. De fiets, even geen gezeur aan de kop.

‘Het hardlopen is in toenemende mate gefeminiseerd’, zegt Koen Breedveld. ‘Daarvan is in het wielrennen geen sprake. Daar is nog altijd negentig procent man. Mannen wíllen er ook helemaal geen vrouwen bij, volgens mij. Het fietsen is de wereld van mannelijke kameraadschap, mannen onder elkaar, los van drukte en stress.’

En als ze een plaatsnaambordje zien, gooien ze hem op het buitenblad en gaan ze sprinten.

Breedveld: ‘Met die fiets druk je je identiteit uit, toon je je leefstijl, je wens om je fit te voelen en er goed uit te zien. Het mag ook best een heel dure fiets zijn, waarmee je laat zien dat je het kunt betalen.’ Het mag wat kosten, een fiets, want je koopt er per slot van rekening een stukje jeugd mee terug.  Een De Rosa van tweeduizend euro, daar schrikt de hoog opgeleide en goedbetaalde nieuwbakken midlifecrisisrenner echt niet van.

Fietsen is een combinatie van consumentisme en calvinisme, denkt Breedveld. Dure spullen en je eerst in het zweet werken voor je moment van genot: top gehaald.

Edith Rozendaal: ‘Het is een coping strategy, een manier van omgaan met spanningen. Een uitingsvorm ook. Als je hem mensen afpakt, worden ze chagrijnig.’

Fietsen, zegt de Belgische filosoof en fietser Marc Van den Bossche in zijn boek Wielrennen, ‘is een vorm van verdiepte waarneming’. Het ‘lokt een roes uit die onze gewone ervaringen intenser maakt. Fietsen maakt mijn denken vrij.’

Fietsen is een vorm van zoemmeditatie, het zoemen doen de bandjes. Fietsen is een antidepressivum dat werkt.

‘En je kunt lekker in iemands wiel gaan zitten’, zegt Steven Rooks, de oude prof. ‘Dat is wel zo comfortabel.’

‘Het is net als bij de cowboys’, zegt Maarten Ducrot. ‘Wanneer die samen een tocht hadden volbracht, was er een onverbrekelijke band ontstaan. We rode together. Dat is wat wielrennen ook doet, op alle niveaus.’

Want door m’n fiets mag ik verhopen                                                                              De witte Lente door te lopen,                                                                                          Te rennen; daarom verkies ik niets                                                                                Als hoopsymbool boven m’n fiets.

Zie de mannen rijden, in hun lelijke reclameshirts, waarin ze de commerciële banaliteit van de echte sport imiteren. Hoor hoe ze de taal van de profs spreken en hoe ze zich lostrappen van hun dagelijks bestaan.

Marc Van den Bossche: ‘Het is overigens een misverstand  te denken dat ik aan sport doe. Ik speel.’

O, m’n fiets gij zijt                                                                                                          Bron van al m’n blijheid;                                                                                                   O, m’n fiets gij zijt                                                                                                        Leven in der eeuwigheid.                                                                                               Rijd, rijd                                                                                                                    Aldoor;                                                                                                                                   Rijd, rijd;                                                                                                                               Aldoor;                                                                                                                 Gewonnen verloren, gewonnen verloren,                                                                        De horizonnen zijn uit d’eeuwigheid.                                                                         Tandje erbij!