IK BEN DE BESTE! (en mijn dochter ook…)

Flair juni 2012
tekst: Alice Binnendijk

Uit onderzoek is gebleken dat mannen competitiever zijn dan vrouwen. Ze willen winnen, niet alleen in de sport, ook bij hun dagelijkse bezigheden. Voor vrouwen hoeft dat winnen niet zo nodig, zij willen gewoon dat wat ze doen, goed doen. Dat geldt niet voor alle vrouwen. Zo is Alice Binnendijk, chef bij Flair, dol op wedstrijdjes en winnen. Zij zocht uit waar haar prestatiedrang vandaan komt.

Het was op een donderdagavond om 18.20 uur, twee dagen voor de krokusvakantie zou beginnen. Ik zat op een stoeltje in het klaslokaal van mijn jongste dochter en tegenover mij zat haar juf.
‘We hebben een testje gedaan in de klas,’ zei ze. ‘Alle kinderen hebben een formulier ingevuld met dezelfde vragen. Met wie willen ze op vakantie? Met wie niet? Welke kinderen in de klas zijn leuk om mee te spelen? Welke niet? Met wie wil je een opdracht doen? Een wedstrijd spelen? Een spreekbeurt voorbereiden? En met wie allemaal niet? Jouw dochter heeft voor een achtjarige een vrij uitzonderlijke uitslag gescoord, die ik graag met je wil bespreken.’ Juf keek me aandachtig aan.
Ik ben dol op testen, en nooit bang voor welke uitslag dan ook, maar nu bekroop me toch een onbehaaglijk gevoel.
‘Wat was het doel van de test?’ vroeg ik voordat ze haar uitslag bekend maakte.
‘Ik geef niet zo om cijfers en resultaten. Rekenen en taal? Het zal wel,’ zei ze. ‘Voor mij is het belangrijk dat een kind sociaal en emotioneel goed mee komt in een groep. De test is bedoeld om te kijken hoe de verhoudingen in deze klas liggen.’
Ik knikte. Ik geef ook niet om cijfers en resultaten, zo lang ze goed zijn. Daarover heb ik met mijn beide dochters van 10 en 8 jaar nooit te klagen gehad. En voor zover mijn moederlijke instinct me ingeeft, heb ik de indruk dat mijn meiden stevig in hun schoenen staan en op sociaal en emotioneel gebied prima in ‘de groep’ liggen.
Daar dacht juf anders over, waar het mijn jongste betreft.
‘Ze scoort niet heel hoog wat het samen spelen betreft,’ zei ze. ‘Er zijn aan aantal meisjes in de klas die hebben aangegeven niet graag met haar te spelen.’
Ik slikte.
‘Maar,’ zei juf, ‘ze heeft het hoogst gescoord in de hele klas waar het sportwedstrijden, schoolopdrachten, thema-presentaties en spreekbeurten betreft. Iedereen wil dat graag met haar doen.’
‘Wat concludeert u daar dan uit?’ vroeg ik, want ik wist niet of ik trots of teleurgesteld moest zijn.
‘Dat iedereen weet dat je met haar kunt winnen. Hoge cijfers kunt halen. Een opdracht met goed gevolg kunt doorlopen. Jouw dochter…’, zei ze, terwijl ze haar ogen tot streepjes kneep, ‘…is nogal prestatie gericht.’ Haar stem klonk zorgelijk.
Het leek mij allemaal heel goed nieuws. ‘Wat kunnen wij hier als ouders mee?’ vroeg ik enigszins vertwijfeld.
‘Ze zou zich wat meer moet richten op het spel. Niet op het winnen. Dat is beter voor haar ‘plek’ in de groep.’

De volgende dag vertelde ik het verhaal aan mijn man, mijn zus, mijn schoonzus, mijn drie broers, aan twee vriendinnen, mijn moeder, mijn vader, de buurvrouw en drie moeders waar mijn dochter regelmatig over de vloer kwam. Iedereen trok zijn wenkbrauwen op bij het horen van de ietwat dubieuze test, maar moest onmiddellijk lachen toen ik met de uitslag kwam. ‘Ja, typisch jouw dochter. Van wie zou ze het hebben?’ zeiden ze, waarna ze me veelbetekenend aankeken.
Van mij. Ze heeft dat van mij. Ik ben behept met een hoge prestatiemotivatie, zoals dat in sportkringen heet. De beste willen zijn en een wedstrijd maken van ongeveer alles. Dol zijn op succes en wat je doet, zo goed mogelijk doen met een gedrevenheid die zijn weerga niet kent.
Mijn ouders hebben mij geleerd dat je altijd je best moet doen, moet gaan voor het ‘hoogst haalbare’ en af moet maken waaraan je begint. Doorzetten –ook bij slecht weer – wordt in mijn opvoeding gezien als een goede eigenschap waarmee je ver kunt komen. Ik heb me nooit afgevraagd of ik ‘goed lag’ in de groep. Als kind rende ik met gym net zo hard als de jongens, was armpje-drukken mijn favoriete bezigheid en stond er op al mijn basisschool rapporten in handgeschreven krulletters: ‘Rustig aan Alice, je wilt te snel.’ Ik denk dat mijn juf bedoelde dat een tandje lager ook goed was geweest, maar ik heb het afremmen door volwassenen in mijn leven altijd hinderlijk gevonden. Ik had haast en ik wilde graag de beste zijn.
Natuurlijk heb ik gemerkt in de loop der jaren dat niet iedereen dezelfde instelling heeft als ik en dat dat soms voor wrijving zorgt. Er zijn mensen die hun werk minder serieus nemen dan ik, een potje tennis spelen voor de lol, hardlopen zonder hun tijd bij te houden en hun kinderen van zwemles halen na het behalen van het A-diploma. B en C hoeft niet perse, vinden ze.
Is dat erg? Welnee! Alleen ik doe het anders. Ik doe alles voor dat medaille. Heb ik daarom geen vriendinnen? Och, ik heb er net genoeg. Lig ik niet goed in een groep? Hm. Mannen vinden mijn strijdlustige instelling niets bijzonders, terwijl vrouwen zich nog wel eens bedreigd voelen. Zou dat betekenen dat de wil om te winnen alleen mannen toebehoort? Of is het voor een vrouw eigenlijk ‘not done’ om competitief te zijn? Volgens mij is er nog steeds niks mis met een robbertje vechten, maar wat zegt het over je als je, zoals ik, nogal behept bent met een flinke dosis wedijver?

Edith Rozendaal is sportpsycholoog. Ze traint en begeleidt zowel talentvolle sporters, als topsporters op het mentale vlak. Ze zegt –en dat lijkt me geen slechte vergelijking- dat mensen met een hoge prestatiemotivatie veel overeenkomsten hebben met topsporters. Ze ziet daarin weinig tot geen verschil tussen mannen en vrouwen. ‘Vrouwen vinden het, anders dan mannen, heel belangrijk dat de sfeer in de groep tijdens de wedstrijd goed is. Maar verder zijn zowel mannelijke als vrouwelijke sporters net zo gericht op presteren.’
Wel ziet ze verschil in motivatie tussen personen. Zo is er de intrinsieke motivatie (je hebt plezier in het spel en daar schuilt voor jou de waarde in), en de extrinsieke motivatie (niet het spel zelf, maar het resultaat geeft jou de voldoening). Het resultaat kan winnen zijn, maar ook succes, geld, aandacht, respect of erkenning. Aan anderen laten zien hoe goed je bent, kan een belangrijke drijfveer zijn.
Zowel bij mij als bij mijn dochter, denk ik dat de extrinsieke motivatie meer aanwezig is dan de intrinsieke. Mijn plezier bij het neerzetten van een goede prestatie zit ‘m in de complimenten en het respect dat ik ermee genereer. Te horen: ‘Dat heb jij goed gedaan’, geeft mij altijd, wanneer dan ook, een heel fijn gevoel. Het is de beloning voor al het harde werken.
‘Zo’n drive is goed,’ vindt Edith. ‘Het kan je ver brengen. Toch is het bij sport, en ook bij andere prestaties belangrijk om beide motivaties te hebben. Plezier in het spel is belangrijk om het vol te houden, en wanneer je gericht bent op het resultaat, ben je ook in staat om te winnen. Iemand die alleen voor het plezier speelt, noemen we vaak ‘kunstenaars’ in de sport. Ze hebben liefde voor het spel, maar moeten een tandje bij zetten om te winnen. Maar wanneer iemand alleen speelt om te winnen, is de kans groot dat hij afhaakt wanneer hij verliest.’

Ai. Dat ken ik maar al te goed. Zo heb ik van mijn achtste tot mijn achttiende de sterren van de hemel getennist. Het trainen vond ik saai, (er viel immers niks te winnen) maar bij het spelen van een wedstrijd stond alles in mij op scherp. Won ik altijd? Nee, zeker niet. Sterker nog: als ik met drie games achter stond, was de wedstrijd in principe zo bekeken. Ik liet mijn hoofd hangen en bakte er vaak niks meer van. Maar rook ik een zwakkere tegenstander, dan vocht ik voor mijn leven en vaak met succes.
In mijn werk ben ik iemand die zich helemaal geeft en hoor ik vaak het stemmetje ‘Dat kan ik beter’ in mijn hoofd. Het is alles of niets en soms wordt het dan niets. Als het niet gaat zoals ik vind dat het moet gaan (we moeten die kant op, daar heb je kans op succes en overwinning!) geef ik er na verloop van tijd de brui aan. Langer dan vier jaar heb ik dan ook nooit op dezelfde plek gewerkt.
‘Een hoge prestatiemotivatie kan je ook in de weg zitten,’ zegt Edith. ‘Er zijn mensen met positieve faalangst. Door druk gaan ze beter presteren. Maar er bestaat ook zoiets als negatieve faalangst. Druk geeft dan onrust en stress, wat ervoor kan zorgen dat je opgeeft. Dat is jammer. Als je verder wilt komen, moet je onderzoeken wat het is, waardoor je niet verder wilt.’

Hm. Herkenbaar. Als mijn dochter begint aan een nieuwe frisse kleurplaat en per ongeluk buiten de lijntjes kleurt, verscheurt ze de hele handel en gaat ze iets anders doen, of wil ze een nieuwe kleurplaat. Dat doet ze ook met kleien, knutselen, mooi schrijven in een schriftje en met het spelen van computerspelletjes. Ik (ja, van wie zou ze het hebben?) herken dat en moet er vaak een beetje om lachen. Probeer haar altijd duidelijk te maken dat wat ze maakt prachtig is, en dat je niet altijd helemaal opnieuw hoeft te beginnen om iets moois te maken. Zoiets als: ‘Rustig aan, je wilt te snel.’ Het geeft een boel strijd in huis, dat moge duidelijk zijn. Twee van die vrolijke vechtersbazen met negatieve faalangst…
‘Als iets niet perfect is, geeft dat jou, maar kennelijk ook je dochter, een rotgevoel.’ Edith slaat de spijker op z’n kop. ‘Onmiddellijk handel je naar dat gevoel door op te geven en wat anders te gaan doen. Als je probeert het gevoel van onrust te tolereren, en dus niet weg te werken, kun je zien wat je nog meer wilt dan behalve de ‘winst of de perfecte prestatie’, zodat je niet opgeeft. Veel topsporters doen ademhalingsoefeningen om op te merken wat ze voelen, zonder er direct op te willen handelen. rust in hun lichaam te brengen. Ook meditatie is een probaat middel om stil te staan bij wat je voelt. Wat denk ik, wat voel ik? Als je niet vecht tegen dat gevoel, maar het laat bestaan, dan wordt het hanteerbaar.’
In onze keuken hangt een Happinez scheurkalender. Elke dag een wijze les voor een kalmer leven, gekregen van mijn leuke man. Hij kent me al dertien jaar. Vanmorgen las ik tijdens het koffiezetten: Altijd juist, goed, sterk, slim, succesvol, liefdevol of rijk willen zijn, is net zoiets als willen dat het altijd zomer, altijd dag is, dat de zon altijd schijnt, dat het altijd lekker warm is. (Cheri Huber, Zijn wie je bent, 2000) En ineens voelde ik de zorgzame ondertoon van de volwassenen in mijn leven: ‘Rustig aan Alice, je wilt te snel.’ Moraal van het verhaal: laat je niet ontregelen, maar blijf gefocust op je doel. En, minstens zo belangrijk: vind je plezier in het spel. Dan ben je altijd winnaar!

Meer lezen over willen winnen?
Niet alleen doelen stellen is belangrijk, maar ook het omgaan met wedstrijdspanning, het vasthouden van concentratie en het ontwikkelen van zelfvertrouwen, zijn aspecten die sportpsycholoog Edith Rozendaal onder andere traint met haar sporters. Je kunt er meer over lezen in haar boek Sportgek, mentale training voor sporters.
www.sport-gek.nl